Harmonisering van geografische gegevensbronnen

Interoperabiliteit van geografische gegevensbronnen betekent dat het mogelijk moet zijn om op een consistente manier geografische gegevens en diensten uit verschillende bronnen te combineren, tussen verschillende organisaties en domeinen, tussen regio's en tussen Europese lidstaten.
Harmonisatie gebeurt het best op niveau van de geografische objecten, dat wil zeggen op niveau van de afspraken over de manier waarop de "vertaling" van een verschijnsel in de werkelijkheid naar een virtueel digitaal object in een geografische databron gebeurt.

Deze harmonisatie gebeurt op verschillende niveaus:

  • semantische consistentie: welke verschijnselen worden wel en niet opgenomen in een geografische gegevensbron? Welke objecten nemen we op in de objectencatalogus?
  • geometrische consistentie: hoe worden "werkelijke" objecten omgezet naar geometrische objecten? In welk projectiesysteem worden de gegevens opgenomen? Met welke precisie?
  • consistentie in de aanmaak van de gegevens: hoe bouwen we een netwerk op? Hoe worden gegevens gegeneraliseerd?
  • topologische consistentie: hoe sluiten geografische objecten op de rand van een geografische gegevensbron aan op een aansluitende gegevensbron? Hoe sluiten overlappende gegevensbronnen op elkaar aan?
  • logische consistentie: werken we met een gemeenschappelijk data model en definitie van objecten?

Daarnaast leggen de dataspecificaties ook richtlijnen vast om de gegevens te portretteren, om ze te beschrijven met metadata-elementen en om ze aan te leveren.
Door gebruik te maken van een gemeenschappelijk gegevensmodel voor het thema "Hydrografie" dat overeengekomen is tussen verschillende regio's, is het mogelijk om grensoverschrijdende toepassingen te maken, waarbij de gebruiker de zekerheid heeft dat bv. het object "oever" op dezelfde wijze gedefinieerd en ingewonnen is over de grenzen heen, en dat de oevers ook over de grenzen heen aansluiten.

Meer info: 
GDI-decreet
INSPIRE-richtlijn